Wijnegem

Archeologische opgravingen in de gemeente tonen aan dat het grondgebied van Wijnegem vanaf het Midden-Jongsteentijdperk (800 tot 2000 jaar voor Christus) bewoond was.

Ook uit het Brons-, het Ijzertijdperk en de Romeinse tijd werden voorwerpen gevonden. De oudste ontdekte sporen van gebouwen zijn van de Romeinse tijd en dateren uit de 2de - 3de eeuw na Christus. De bewoners kenden een zekere luxe. Getuigen daarvan zijn o.a. bronzen armbanden en scherven van rood glanzend luxueus aardewerk.

Een muntschat van een veertigtal munten met afbeeldingen van diverse Romeinse keizers, toont aan dat de Romeinse bewoning eindigde rond 255 na Christus.

In 1161 verkreeg de abdij van Tongerlo, bij schenking door Nicolaas, bisschop van Kamerijk, het patronaat over de parochie van Wijnegem, destijds Winnegem. In het midden van de 16de eeuw wordt Wijnegem een zelfstandige parochie maar tot 1800 behoudt de abt van Tongerlo het benoemingsrecht van de pastoors.

Vanaf de 15de eeuw tot 1919 was Wijnegem een bekend en druk bezocht bedevaartsoord, waar O.L.Vrouw van de Bloeiende Wijnstok of O.L.Vrouw van Wijnegem vereerd. Op wereldlijk vlak was de heerlijkheid Wijnegem in handen van de Hertog van Brabant. De Heren van Wijnegem waren o.a. Geeraert Sterck, Jan Vleminck en de families de Haudion en Don Roy.

Een beperkte industriële ontwikkeling, die omstreeks de eeuwwisseling op gang kwam, vond hier een voedingsbodem. Vandaag is Wijnegem een belangrijk industrieel en commercieel centrum met een nog enigszins landelijk karakter.